· 

HET PAARD ALS KUDDEDIER (deel 2):

In een goed functionerende kudde kent ieder dier zijn plaats en is er duidelijkheid als het om de hiërarchie gaat. Met de dominantieverhoudingen als basis weet zo ieder paard in de kudde wie er bij dreiging, nood of gevaar de leiding heeft.

 

Het principe is eenvoudig:

Wil het paard in de kudde overleven, dan is strikte gehoorzaamheid aan de signalen van het rang hogere dier noodzakelijk.

Veulens en jonge paarden worden zo door de kudde opgevoed. De jonge dieren hebben daardoor respect voor de kennis en levenservaring van het rang hogere dier. Deze gehoorzaamheid en het respect wordt nooit afgedwongen, maar ontstaat altijd uit vrijwillige acceptatie.

 

De meest dominante paarden hoeven hun positie niet door middel van fysieke druk of “rangorde gevechten” kenbaar te maken. Lichaamstaal spreekt daar vaak voor zich. Het even laten zakken van de hals, (al dan niet in combinatie met het aanleggen van de oren), is meestal genoeg om de leiderspositie duidelijk te maken.

Bij de overige soortgenoten is het normaal dat de dominantie wordt ondersteund door druk en enig fysiek geweld.

DE LEIDENDE MERRIE IS DOMINANT OVER ELK PAARD IN DE KUDDE:

Ieder individueel paard in de kudde is onderworpen aan de leidende merrie. De dominantieverhouding tussen elk paard in de kudde en de leidende merrie is dus voor allen gelijk. De merrie is daardoor de absolute leider van de kudde.

 

In de onderliggende sociale lagen ligt het iets ingewikkelder.

Paarden kunnen slechts één op één relaties aan. Daardoor kan de situatie ontstaan dat paard 1 dominant is over paard 2, die dominant is over paard 3. Maar paard 3 kan dan weer dominant zijn over paard 1.

Ze zijn echter allemaal onderworpen aan de leidende merrie.